Het orgel


Het orgel in de basiliek van Oudenbosch is gerestaureerd, beter gezegd: herbouwd, aangezien de technische aanleg van windladen, speel- en registermechaniek etc. geheel nieuw zijn vervaardigd, zij het in de stijl en geest van de oorspronkelijke makers.

De bouw :

De geschiedenis van het instrument. Het orgel van de basiliek heeft een lange en bewogen geschiedenis achter de rug, die begint in 1772, wanneer op 27 februari Drossaart en Schepenen van de heerlijkheid Oudenbosch besluiten tot het laten vervaardigen van een orgel voor de toen Gereformeerde Kerk. Fondsen werden gevonden in de meer dan overvloedige gelden van de armenkas. De overheden lieten er geen gras over groeien want reeds op 31 maart 1772 werd met Ludwig König, een dan zeer gerenommeerd orgelmaker uit Keulen, een kontrakt tot het maken van een nieuw orgel afgesloten. König was met zijn zoon naar Oudenbosch gekomen om in aanwezigheid van de organist van de Grote Kerk te Breda, Paulus Stockelmans, over het orgel te spreken. Blijkens de bewaard gebleven rekeningen voor logies en verteringen heeft men drie volle dagen nodig gehad om tot het opstellen en ondertekenen van het kontrakt te komen.

“De ondergetekende Heere Drossart voor en in naam van de Agtbae Magistraat en de Heere Predikant voor en in naam van den Eerw.Kerkenraad der Vrijheid Oudenbos bekennen bij deesen haar Edel. ondertekening aanbesteed, en de Heer Lodewijk Koning Mr. Orgelmaker, woonagtig binnen Keulen, dewelk bij deese sijne meede ondertekening bekent aangenomen te hebben het maken van een nieuw orgel in de kerk binnen voorsr. Vrijheid, dewelke moet bestaan in eijgenschappen als volgt
No. 1 Praestant agt voet, van vereiste compositie en met FoeIij belegt.
2 Bourdon Bas sestien voet
3 Bourdon Discant
4 Holpijp agt voet
5 Octav vier voet
6 Quint in Bas, drie voet gedekt, spreekt ses voet  Cornet vier sterk
7 Quint drie voet open
8 Super Octav twee voet
9 Mixtuur 4 sterk
10 Trompet agt voet Bas
11 Trompet Discant
12 Trambulant

Tot dit werk moeten de pijpen van goede orgelstoffe gemaakt worden met een Clavier van 51 Claves, tot D. ingesloten, met drie blaasbalken om genoegsame wind te kunnen geven.
Wijders een aangehangen Pedaal van 18 Clavieren en het overige noodsakelijke regeerwerk hier toe diendende, als mede een uit twee delen bestaande windladen van goed en droog hout na den eisch van het werk; benevens de orgelkas en verdere daar aan behorende cieraden volgens de daar van gemaakte en hier bij overgegevene Teijkening. De materialen en arbeidslonen tot dit voorsr. werk behorende blijven alle voor rekening van den aannemer.
Wijders zal de aannemer verpligt zijn gemelde werk op te setten en in behoorlijke order te stellen, dat het selve de proef der onpartijdigen daar toe te nemene Examinateurs  zal kunnen doorstaan en werden goedgekeurt.
Voorts nemen de Heere Besteeders tot haren last en rekening het logies en behoorlijke verteering gedurende den tijd het voorsr. werk zal werden opgesteld, in order gebragt en volkomen voltooijt is, blijvende de arbeidslonen daar van voor rekening van de aannemer.
Als nog werd besprokenen geconditioneerd dat het transport tot het overvoeren van voorsr. werk uit Keulen na deese Vrijheid  alle zijn en blijven voor rekening van de Heeren besteeders, gelijk ook het maken en stellen van het Hoogzaal, het verwen, vergulden etc.
Het voorsr. werk zal de aannemer moeten klaar en in orde gestelt hebben half augustus van den aanstaanden jare 1773.
Waar voor hij aannemer zal genieten en profiteren de somme van twee duisend drie honderd guldens en voor een present aan desselfs zoon een en dertig guldens tien stuivers, alle hollands geld.
De betaling zal geschieden soo dra het voorsr. werk zal zijn voltooijt opgenomen en goedgekeurt.
Aldus gekontrakteert en overeengekomen binnen den Ouden­bos den 31 Maart 1772, en zijn ten desen hier van gemaakt twee eensluidende wedersijds geteijkende Contracten

w.g. H.R. Banier                       W.H.Nummer
Ludwig König
orgelmacher”

Christian Ludwig König (1717-1789) en zijn zoon Carl Phillip Joseph König (1750-1795) behoorden tot een geslacht van beroemde orgelmakers, waarvan de stamvader Balthasar König (ca. 1680- ca. 1755) afkomstig was uit Münstereifel.
Kort na 1730 vestigde Balthasar König zich te Keulen. Vele orgels van de familie König, waartoe ,ook Johann Kaspar König (1726-1761) behoorde, werden nieuw vervaardigd of hersteld, zowel in Duitsland als in Nederland. Op het Königorgel in de Minoritenkirche te Bonn is de jonge Beethoven een aantal jaren organist geweest. Van dit orgel ging de kas in de oorlog verloren, maar is de klaviatuur, die bij een ombouw verwijderd was, in het Beethovenhuis in Bonn bewaard gebleven.
Redelijk tot goed bewaard bleven de Königorgels te Steinfeld (1727), Breda (Waalse kerk 1763), Schleiden (1770), Nijmegen (Grote kerk 1776) en Arnhem (Waalse kerk 1777), om er enkele te noemen. Dat men in Oudenbosch voor König heeft gekozen kan te maken hebben met het voltooien van het door Johann Kaspar Köning aangenomen en begonnen orgel voor de Waalse kerk in Breda.
Na het voortijdig overlijden van Kaspar König werd het instrument door broer Ludwig voltooid. De faktuur van laatstgenoemde orgel is geheel identiek aan die van andere Königorgels. De organist Stockelmans zou in deze de trait d’ union geweest kunnen zijn.
Het orgelbalcon , in het kontrakt “hoogzaal ” (oxaal) genoemd, is vervaardigd door Bastiaan Jongeneelen, waarvan de kwitantie à f 800,- is gedateerd 16 sept. 1773.
Voor het “verwen en vergulden van ‘t Nieuw Gemaakt Orgel in de zelfde kerk met alle de leverantien van goudt verf en olij etc. in den Jaaren1773″ is op 30 dec. 1773 aan de Wed. J.van Opstal f 348, 5 stuivers en 4 penningen betaald. De uitvoerige specifikatie spreekt van lijmverven, gronden, vergulden en mahoniehouten (vrij vertaaId) .
Voor het “marmeren en vernissen van de drie pijlaren onder het orgel in de kerke van den Oudenbos” werd een ingeschakeld, P.J.J. Lacosta (quitantie dd. 20 aug. 1773).
De orgelmakers moeten spoedig na de ondertekening van het kontrakt: aan het werk zijn gegaan, want op 4 juli 1773 arriveerden de orgeldelen in Oudenbosch en wel per schip. Het vervoer van Keulen tot Dordt geschiedde op het schip van Clemens Gugenohl; dat van Dordt naar Oudenbosch via de Geervlietse Tol, aan boord van Simon Ouboter.
De kosten van een en ander aan vracht, in- en uitkomende rechten, paspoort etc. waren niet gering: f 211, + 1 stuiver.
Van 4 juni tot 6 aug. 1773 “sijn de eurgermaakers bij mijn ondergeteekende gecoome logeeren dat sijne negen negen weeken verteert eijder week tien gul met haar bijge…………………. . . . . . . . .    f 90-0-0
30 vlesse rooije wijn 12 st. de vIes                            f 18-0-0
57 vlesse witte wijn 10 st de vIes                               f 28-10-0
aan den tol van de eurger                              f          4-0-0
——-­——
Voldaan door meheer                                                  f 140-10-0
de predikant nummer
Oudenbos, 6 september 1773.
D.Doven”

Eind juli 1773 moet het orgel gereed geweest zijn, opgeleverd en gekeurd, want de kwitantie van Ludwig König, “burger en orgelmacher der Prifeligirtenen reichstatt Cöllen am Rhein heeft als datum “Cöllen den 29 ten Julii 1773″.
De ingebruikname op 3 aug. 1773 (dus nog ruim voor de gekontrakteerde datum van half augustus) wordt in het kerkelijke tijdschrift BOEKZAAL DER GELEERDE WAERELT van oktober 1773 als volgt beschreven:
“Oudenbos.
Den 3 augustus. Heden is het ongemeen fraay nieuw Orgel in de Gereformeerde Kerk alhier onder een groote toevloed van menschen met veel plegtigheid ingewijd geworden.
Des morgens ten tien uuren hoorde men een alleraangenaamst en verrukkend geluid van allerhande musicale Instrumenten, Pauken, Keteltrommen, Trompetten enz. waar na de Wel. Eerw. en zeer geleerde Heer W.H.Nummer, waardig en zeer gelieft Leeraar alhier, eene voortreffelijke redenvoering deed, welke geeindigt zijnde, wierd de geheele 150 Psalm gespeelt en van de gantsche gemeente met vrolijke en dankbare herten gezongen, eindelijk werd na het uitspre­ken van den zegen nog een gantsch uur gespeeld en deeze plegtigheid tot elks genoegen besloten.
Gemelde Orgel,’t welk na de verwagting beantwoord, is gemaakt door den beroemden en kundigen Lodewijk Koning, Mr. Orgelmaker woonachtig te Keulen en bestaat uit de volgende Registers…..”
Dan volgt de bovengenoemde dispositie.
Uit de bewaard gebleven rekeningen wordt duidelijk dat men niet kinderachtig te werk is gegaan:
“Bij de gelegentheid van de inwijding van het orgel binnen de gereformeerde kerke van den oudenbos ist ten heusen van J.Herman zoo door de muziecanten als door derzelve voorlieden en paarden verteert

de heer Stockermans orgelist
des avens supe (souper)                                  « - 10 – «
1 bootel Rod wijn                                             «  - 12 – «
Logis                                                              “  -    6 – “
des medags                                                     15 – 15 – “
21 personen Eetten a 15 st: yder persoon
des morgens en medags                                  50  -   8 – “
84 bootels Rod:wijn a: 12 st
nog aan voorlieden voorraden
voor paarden                                                   12  – 13 – “
samen                                                             80  -   4 – “
Deze kwitantie is gedateerd 3 aug. 1773.

In de DISPOSITIEN der merkwaardigsten KERK-ORGELEN van Nicolaas Arnoldi Knock, verschenen te Groningen in 1788, wordt het orgel vermeld op pagina 63 en wel onder “Oudenbos. In Holland”.      .
De dispositie is niet volledig, aangezien bij de Quint 6′ geen melding gemaakt wordt van het feit, dat het register slechts in de bas aanwezig was. Hiermee komen wij aan een kleine beschouwing m.b.t. de stijl van de orgelmakers König.
Afgezien van het orgel in de Grote kerk in Nij­megen, dat meer de stijl van de opdrachtgevers dan die van de orgelmakers laat zien, valt bij Königorgels op, dat bij eenklaviers instrumenten en op de hoofdwerken van meerklaviers orgels geen viervoets fluiten gedispo­neerd zijn (Steinfeld, Keulen-Jezuieten, Düsseldorf-St. Maximilian, Schleiden, Oudenbosch, Arnhem-Waalse).
Verder is het werk onmiskenbaar verwant met de Franse orgelstijl in de factuur van labialen en tongwerken. Tenslotte is er bij de latere Königorgels (overigens ook bij een aantal tijdgenoten) een neiging, de klank als het ware  dieper te maken: in Oudenbosch door het plaat­sen van  een gedekte Quint 6′ bas, gekombineerd met een Cornet vanuit de zestienvoet; bij het Arnhemse orgel door de 12 grootste pijpen van de Bourdon 16′ als Quint 12’ uit te voeren, zodat in het groot oktaaf een 32voets resultantklank ontstaat en dat n.b. op een viervoets orgel.

Nadat het orgel een aantal jaren door de Königs onderhouden zal zijn, volgen in de jaren 1791 en 1794 werkzaamheden, uitgevoerd door Niclaas van Hirtum uit Hilvarenbeek.
In de door Jespers en Van Sleuwen heruitgegeven Kronyk van Hirtum, 483 en 488 is sprake van stemming en repa­ratie in 1791 en van het maken van enige nieuwe pijpen in 1793 ter vervanging van pijpen “…die door de france nasionale soldaten met den sabel in stukken waren gekapt”.
Van Hirtum roemt het orgel als “een zeer goet werk”.

Een nieuwe periode voor kerk en orgel breekt aan als de Katholieken hun aloude kerkgebouw terugkrijgen. Dit had plaats in 1799, maar het zou nog tot oktober 1801 duren voor kerk en orgel weer in gebruik konden genomen worden. Bij de scheiding van de kerkelijke goederen werd f 1350,– ­voor het orgel betaald.
Een eerste wijziging onderging het orgel in 1807, toen A.C.van Breda, hoogst-waarschijnlijk de Bredase orgelmaker A.Christiaansen (ook wel gespeld Christiaenen of Christi­aansen), die leefde van 1758 tot 1809, de Quint 3′ door inkorting en het aanbrengen van pijphoeden in een Fluit 4′ veranderde. Op de eerste pijp van dit register is een aantal inskripties te zien: Quint 3 pour Oudenboss 1773, verder g AC van Breda1807 en fluit. De letters AC alsmede het jaartal 1807 komen op andere plaatsen in het pijp­werk voor. Ook werd in 1807 de Cornet gewijzigd zodat deze een “normale” samenstelling kreeg.
Christiaanen was in het Westbrabantse geen onbekende; behalve in Breda komen we hem tegen in Etten, Halsteren, Leur, Steenbergen, Wagenberg en Zundert in de periode 1790 -1806.
Het Handschrift Broekhuyzen (ca. 1850-1862) noemt het orgel abusievelijk tweemaal. Zowel bij de Hervormde kerk als bij de Katholieke kerk wordt Lodewijk König als de maker vermeld. Het eerstgenoemde orgel zou in 1850 “…. aanmerkelijk gerepareerd en met twee stemmen verminderd, ja zelfs bijna geheel vernieuwd (zijn) door H.Knipscheer, orgelmaker te Amsterdam”. Broekhuyzen geeft daarbij de dispositie, ontleend aan de Boekzaal. Van het orgel in de R.K.Kerk weet hij te vertellen dat het “… is gemaakt in 1772 door Lodewijk König, orgelmaker te Keulen. Is een uitmuntend werk, heeft geen houtpijpwerk. Werd in 1844 geheel gerepareerd en omgewerkt, vermits het in eene on­bruikbare staat was, door Derksen van Angeren, orgelmaker te Breda. Heeft 11 stemmen, een handklavier van C tot ‘’’D, aangehangen pedaal en drie blaasbalgen.”
In de opgegeven dispositie heeft het orgel er een Basson 8’ bijgekregen en worden de sterktes van Mixtuur en Cornet foutief als 5 opgegeven. Dat de Hervormde Kerk in 1850 een orgel had gekregen, was Broekhuyzen onbekend.
Na het midden van de negentiende eeuw ging de Oudenbossche kerk de laatste fase in. Voor het groeiend aantal parochi­anen te klein geworden en in een bedenkelijke staat van onderhoud geraakt, zou het middeleeuwse gebouw op den duur plaats maken voor de huidige basiliek.
Nadat in 1880 het nieuwe kerkgebouw (basiliek) gewijd en in gebruik genomen was, brak een nieuwe fase voor het orgel aan. Achter in de kerk en boven de hoofdingang konstrueerde men een groots oxaal, dat gedragen wordt door vier kolommen en vier pilasters. Hierop liet men een enorme 16-voets orgelkas plaatsen, alles duidelijk geïnspireerd door, maar niet letterlijk gekopieerd van het 16e eeuwse ensemble in de Sacramentskapel van de St. Pieter te Rome. Het geheel was voltooid in 1883, wat gestaafd wordt door de teksten links en rechts boven de zijden van de orgelkas:
ANNO DOMINI
MDCCC
LXXXIII
d.i.: In het jaar des Heren 1883.

Helaas ontbreken exakte gegevens met betrekking tot de gang van zaken rond het orgel. Juist uit deze periode (1880-1893) zijn nauwelijks archiefstukken bewaard gebleven. Wij zijn dus aangewezen op wat het orgel zelf na demontage heeft prijsgegeven en op gegevens van de restaurateur uit 1941.
Volgens overlevering is het orgel sinds 1880 in onderhoud geweest bij de firma Stevens uit het Belgische Duffel.
Tussen 1883 3n 1893 heeft met het oude werk van König ondergebracht in de nieuwe orgelkas en geleidelijk uitgebreid tot een tweeklavierswerk met aangehangen pedaal. Deze werkzaamheden worden door twee bronnen bevestigd.
Enerzijds is daar de aantekening in het notulenboek van het Kerkbestuur over de jaren 1896-1906: “Vergadering van 31 maart 1893. De voorzitter deelt mee: ….…derdens dat het orgel dat groote reparatie behoefde, thans geheel in orde hersteld is zonder bezwaar van de kerkekas”, ander­zijds is door ons bij de inventarisatie op de Groot C­-pijp van Fluit 4′ van het Hoofdmanuaal -dat is de hier­voor vermelde oude C van de Quint 3′ uit 1773- deze inscriptie gevonden: “Renovatum et Arrangée Mars 1893 Pierre van Dys facteur de orgues à Duffel Belgique”.
Hij zal een werknemer van de Duffelse orgelmakerij ge­weest zijn. Uit alles blijkt dat er voor het orgel niet veel geld uitgegeven kon worden, wat uiteindelijk ten gevolge heeft gehad, dat er zeer veel van het oorspronke­lijke pijpwerk bewaard is gebleven, en dat men voor de uitbreiding oud en dus waardevol pijpwerk gebruikt heeft. De orgelmaker Jan Vermeulen uit Alkmaar, die het orgel in 1941 zou ombouwen, heeft ons waardevolle informatie ver­schaft over de periode 1893-1941. Het orgel had een Hoofd­manuaal, bestaande uit twee laden in de hoofdkas, en een Positief, dat gelegen was achter een van de loze onder­fronten. Het instrument had een vrijstaande speeltafel, midden voor het orgel, waarbij de organist het orgel in de rug had. Het orgel had als dispositie:
Manuaal I, Hoofdklavier, C-go     Manuaal II, Positief                  Pedaal, aangehangen
Principaal 16′                                         Bourdon 8′                             aan Man.
Bourdon 16′                                           Montre disc. 8′
Montre 8′                                               Gamba disc. 8′
Holpijp 8′                                               Prestant 4′
Fl.Harmonique 8′                                    Gemshoorn 4′
Quint bas 6′ ‘                                         Quint 3′
Prestant 4′                                             Flageolet 2′
Fluit 4′
Quint 3′
Octaaf 2′
Mixtuur st.
Cornet st.
Bombarde 16′
Trompet 8′
Basson 8′
Clairon 4′

Deze opzet was nogal onevenwichtig: een enorm hoofdmanuaal, een bescheiden tweede manuaal dat door zijn ligging en met het grote oxaal ervoor weinig uitstraling moet hebben gehad en tenslotte geen zelfstandig pedaalwerk.
Ook technisch was het orgel uit een (te) krappe beurs betaald,  al moeten wij voorzichtig zijn met een beoorde­ling uit 1940, toen men heilig in de “vooruitgang” van de orgelbouwkunde geloofde, die op dat moment de elektro­pneumatische traktuur had opgeleverd.
Vermoedelijk is het orgel gedurende een aantal jaren onderhouden door de fa. Stevens. In 1915 komt daarin verandering, wanneer de orgelmakers Gebr. Smits uit Reek het onderhoud overnemen. Dit duurde tot 1928, het jaar waarin deze oude gerenommeerde firma haar werkzaamheden beëindigde. In het Smitsarchief zijn aantekeningen be­waard over de jaren 1915/1927. Met enkele onderbrekingen
(in 1918, 1924 -1926) is er een reeks bedragen genoteerd tussen de ƒ 20,- en ƒ 37,50 (resp. voor 2 tot 3½ dagen werk.

In 1941 vinden ingrijpende werkzaamheden plaats: de firma VERMEULEN ORGELBOUWERS ALKMAAR-WEERT heeft toen het orgel omgebouwd en uitgebreid naar het “elektrisch/pneu­matisch systeem”, zoals vermeld staat op het programma “Ter gelegenheid van de inspeling van het vernieuwde orgel van de basiliek van Oudenbosch”.
Met gebruikmaking van vrijwel al het oude pijpwerk en met een aanvulling van een aantal nieuwe registers is het orgel uitgebreid tot een werk met 12 stemmen op het eerste, 11 stemmen op het tweede manuaal en 8 stemmen op het pedaal.
De beide manuaalwerken kregen een plaats in de hoofdkas, het pedaalwerk kreeg een plaats in de hoofd­- en in de onderkas. Zoals destijds gebruikelijk is het pedaal voor een deel van zgn. unitregisters voorzien, d.w.z. dat enkele systemen met elkaar gekombineerd waren.
De dispositie zag er zo uit:

 

 

 

 

Manuaal I

 

Manuaal II

 

Bourdon

16′

Montre

8′

Prestant

8′

Salicionaal

8′

Holpijp

8′

Vox Cael.

8′

Fluit ham.

8′

Bourdon

8′

Prestant

4′

Prestant

4′

Fluit

4′

Gemshoorn

4′

Kwint

2 2/3′

Kwint

2 2/3′

Octaaf

  2′

Blokfluit

2 ‘

Mixtuur

   3 st

Terts

1 3/5′

Cornet

          4 st

Echo trompet

8′

Trompet

         8′

Schalmei

4′

Klaroen

   4′

 

 

Pedaal

 

Nevenregisters

 

Principaal

16 ‘

KlavierkoppeI

II + I

Subbas

16 ‘

Pedaalkoppel

P + I

Octaafbas

8′

Pedaalkoppel

P + II

Gedektbas

8′

Suboct. koppel

I + II 16′

Quintbas

5 1/3′

Suboct. koppel

II + II 16′

Koraalbas

4′

Superoct. koppel

I + II 4′

Bombarde

16 ‘

Tremulo

 

Trombone

8′

Aut. Pedaalomschakelaar

 

 

Generaal registercrescendo

 

 

Vrije registercombinatie

 

 

P, MF, F, FF, T

 

 

 

Vaste combinatie

 

 

 

Tongwerkafstelier

 

 

 

 

De pedaalstemmen Principaal 16′, Octaafbas 8′ en Koraal­bas 4′ waren gekombineerd, zo ook de Subbas 16′, Gedekt­bas 8′ en Quintbas 5 1/3′, alsmede Bombarde 16′ en Trom­bone 8′. In feite waren dus alleen principaal 16′, Sub­bas 16′ en Bombarde 16′ zelfstandig.
Het omgebouwde orgel werd op zondag 31 aug. 1941 inge­speeld door Flor Peeters, “Titulair-organist aan de St. Romböutskathedraal te Mechelen” en zijn leerling R. Schelleman, organist van de Basiliek.
Uitgevoerd werden werken van J.S.Bach, J.Brahms, H.Fiocco, Cl. Daquin, G.F.Händel, S.Karg-Elert, J.B. Loeillet, Fl. Peeters, M.Reger, J.P.Sweelinck, Ch.Tournemire, en Ch.Widor,
De keuze van werken uit renaissance, barok, rococo, romantiek en (vroeg)modern is geheel in overeenstemming met de ideeën van een “universeel” orgel, zoals men dat te Oudenbosch (en op vele andere plaatsen) gedacht had te realiseren.
J. van Langen wijdde in  de pers een lovende recensie aan het inspelingskonsert, zowel richting orgel als richting konsert­gevers. Over het orgel lezen wij: “Met het vernieuwde orgel is Oudenbosch een instrument rijker geworden dat er wezen mag. Al voldoet het nog wel niet aan alle eisen, die van een groot orgel verwacht mogen worden, het is zijn plaats in ieder geval waardig….        Het vernieuwde orgel is aller belang­stelling ten volle waard. Het zal, vooral voor Oudenbos­schenaren, een ware openbaring zijn geweest na zo’n lange tijd naar een amechtig orgel te hebben moeten luisteren”.
Het fraaie spel van met name Flor Peeters, op dat moment één van de meest prominente organisten van de Lage Landen, werd uiteraard zeer geroemd. Ook aan de waardevolle bijdrage van de eigen organist werden lovende woorden gewijd.