De Façade van de basiliek

Als eind 1887 Pastoor Rovers de aandacht van het kerkbestuur vraagt voor de voltooiing van de voorgevel van de parochiekerk is dat precies 22 jaar nadat in 1865 Pastoor Willem Hellemons in een drietal preken zijn parochianen overtuigd had van de noodzaak van een nieuwe kerk.
De oude kerk – gelegen aan de St.Bernaertsstraat ( toen Kerkstraat) – en met name de toren was zeer bouwvallig geworden.

Hoe pastoor Rovers met deze erfenis is omgegaan, wordt in het volgende stuk beschreven.

DE VOLTOOIING VAN DE FAÇADE

Die avond kon Pastoor Rovers nauwelijks de slaap vatten. De zorgen waarvoor hij zich geplaatst zag, wogen hem zwaar. Na­tuurlijk wilde hij graag het werk van Pastoor Hellemons voltooien. Anderzijds vroegen problemen als de betaling van de zojuist aangekochte oude gemeenteschool en de eerste bouwproblemen met de nog maar 7 jaar oude kerk de aandacht. Voor de betaling van de oude gemeenteschool had hij vele liefdevolle giften gekregen. Voor de afwerking van de façade had wijlen de heer C. Faasen hem reeds f 3.000,– geschonken. Zou het lukken om benodigde gelden voor de voltooiing van de voorgevel bijeen te vergaren ?
Maar de platte daken van de kerk dan, waarvan nu reeds gebleken is dat ze niet tegen de Hollandse winters bestand zijn?
Pastoor Rovers neemt een kloek besluit: eerst de daken herstellen en daama de voorgevel voltooien.
Zo lezen we in de notulen van de vergadering van het kerkbestuur van 5 juli 1887: “dat de bedekking der platte daken van de kerk, blijkens ondervinding van jaren, niet voor onze winters bestand is, dat al het mogelijke om die bedekking goed te houden, in het werk gesteld is, dat die jaarlijks groote onkosten vorderd, en te voorzien is, dat het kerkgebouw op den duur veel zou gaan lijden, en volgens ingewonnen informatien van bouwkundige, was het doelmatigste en zekerste werk de platte daken met zink te bekleeden.”
Het kerkbestuur besluit aan de uitvoering van het herstel van de platte daken voorrang te geven en wendt ter financiering ervan de gift van de heer C. Faasen aan.
Pastoor Rovers zou Pastoor Rovers niet zijn als hij zich moreel niet bezwaard had gevoeld om deze gift voor een ander dan het oorspronkelijke doel aan te wenden.
Het is dan ook maar enkele maanden later als hij aan het kerkbestuur voorstelt zich op de voltooiing van de voorgevel te bezinnen: ”daar het bestaande werk veel begon te verintresten, en bij lang uitstel groote uitgaven zoude vorderen.”
Tot nu toe stond de gevel er alleen in haar ruwe hoofdvormen en was deze nog niet voorzien van een kroonlijst, fronton en balustrade.
De kosten voor de afbouw van de voorgevel – in de notulen steeds “voltooiing van de façade” genoemd – worden voorlopig geraamd op f 30.000,– .
Om dit bedrag bijeen te brengen stelt de pastoor voor om in de maand november 1887 een inschrijving open te stellen voor vrijwillige bijdragen. Naast reeds ontvangen giften voor dit doel zou dan bezien kunnen worden of het doel haalbaar is.
Reeds op 17 november kan Pastoor Rovers tot zijn voldoening aan het kerkbestuur mededelen dat de onderneming als zeer goed geslaagd kan worden beschouwd. Op dat moment is reeds f
6.000,–. aan giften binnen en is nog f 14.000,– toegezegd.
De voorgevel kan voltooid worden!

Besloten wordt om in het voorjaar van 1888 een begin te maken met het afwerken van de 2 kleine balkons aan de beide zij-ingangen.
“Mede vereenigde het bestuur zich volgaarne met het plan om aan den hoofdingang in de kerk, een portaal met twee zijdeuren te doen maken, teneinde de tocht zoo veel mogelijk tegen te gaan en de hoofdingang voortaan als eenige ingang der kerk te doen gebruiken en de zijdeuren als ingangen niet meer bruikbaar te stellen, en die alleen des zondags en Heilige dagen en andere groote kerkelijke plechtigheden als uitgangen te bezigen.”
Vanwege zijn bijzondere inspanningen bij de inschrijving wordt de levering van metselstenen gegund aan de heer Van Gils van steenfabriek “De Mark”, mits prijs en kwaliteit concurrerend zijn.
In de loop van 1888 worden de werkzaamheden uitgevoerd. Een jaar later (mei 1889) wordt een gedeelte van het front afgewerkt. Het wordt uitgevoerd door Ch. Creton, een plaatselijke steenhouwer. Het toezicht is in handen van Jacobus Johannes van Tilborg, geboren te Oudenbosch op 18 oktober 1830 en aldaar overleden op 7 januari 1897. Van Tilborg heeft als opzichter belangrijke diensten bewezen. In tegenstelling tot bij de bouw van de kerk was er geen bouwcommissie in het leven geroepen. Het betekende dat het toezicht op de dagelijkse gang van zaken uitgevoerd werd door deze Oudenbossche timmerman. En dat terwijl de echte afwerking van de voorgevel nog moest beginnen.

Natuurlijk wist Pastoor Rovers wat hij wilde. Schreef Broeder Christofoor niet over hem dat hij feilloos de geest van Cuypers’ ontwerp heeft aangevoeld? Pastoor Rovers ging niet over ijs van een nacht. Op zijn aandringen wordt een deskundige aangetrokken. Het is ir. G. van Swaaij, verbonden aan de toenmalige poly-technische school (nu : Technische Universiteit) te Delft.

Ook ir. G. van Swaaij ging gedegen te werk Zo vraagt hij in de zomer van 1890 toestemming om hij het front van de kerk een put te mogen graven om de grondlagen beter te kunncn onderzoeken en na te gaan of de ondergrond stevig genoeg was om het grote gewicht te dragen dat in de gedachte van Van Swaaij boven op het front zou komen.

Klaarblijkelijk is het onderzoek niet voor niets geweest, want in de notulen van de vergadering van het kerkbestuur d.d. 11 november 1890 lezen we:
” Op aanzoek legde de Heer van Swaaij het kerkbestuur verschillende teekeningen voor den verderen opbouw over, met de aanmerkingen, dat hij op verschillende punten wijzigingen had gebracht, waardoor eene bezuiniging van plm. 40 kub Meters steen verkregen werd.”

“Het kerkbestuur – onder de indruk van de ontwerpen van ir. Van Swaaij – besluit om volgens hct nieuwe ontwerp een begin te maken met de definitieve voltooiing van de voorgevel.
Als architect wordt Van Swaaij met de leiding der werkzaamheden belast.

Op dinsdag 9 december 1890 vindt de publieke inschrijving plaats voor de levering van plm. 217 kub Meters Bollendorfer steen.
In totaal worden 12 offertes uitgebracht:
1. Jean Baptist Petit te Breda
- geheel vlak bekapt                             ƒ 10.280.–
- dezelfde ruw afgekloven                     -  7.994,–
2. Xavier de Wall te Luxemburg
-geheel vlak bekapt                                -  9.410,–
-alleen gekloven                                     -  7.610,–
3. Dominicus Jaminet en Schmidt
te Echtemach (L)
-geheel vlak bekapt                              – 9.130,-­
-met punten gebeiteld                         – 7.750,-­
Voor andere dan Bollendorfer steen werden de volgende offertes uitgebracht:
4. Ferd. Engers te Amsterdam:.
Tufsteen                                              – 7.812,–
5. Felix de Wylick te Luik:
Uit de groeve Morley                        – 8.260,–
6. J.M.. Kever Barette:
Uit de groeve La Rochette            -10.647,–
7. Ch. Creton te Oudenbosch:
Uit de groeve Jaumont
-geheel vlak bekapt                         – 8.669,–
-niet vlak bekapt                                – 8.450,–

Het kerkbestuur vraagt ir. Van Swaaij zich te belasten met een nader onderzoek naar de kwaliteit van de steensoorten. In eerste instantie wijst Van Swaaij tufsteen af als een geschikte steensoort. Na overleg met een andere deskundige komt hij echter op zijn standpunt terug en schrijft aan Pastoor Rovers tufsteen juist de meest geschikte steensoort te vinden. Het kerkbestuur – wellicht door de wijziging in de keuze van ir. Van Swaaij in de war gebracht – verzoekt om toezending van het monster tufsteen en nodigt Van Swaaij uit ter vergadering.
Op zaterdag 20 december 1890 woont ir. Van Swaaij de vergadering van het kerkbestuur bij.
In deze vergadering toont hij het ontvangen monster Weiber Tufsteen en overtuigt hij de bestuursleden van de voordelen van deze steensoort zoals “ligtheid, kleur soliditeit en vooral prijs”.
Het bestuur besluit Van Swaaij te mandateren om met de firma Ferd. Engers te Amsterdam onderhandelingen aan te knopen ter levering van de benodigde tufsteen. Tevens wordt in deze vergadering besloten om op het front van de geve1 een beeld te plaatsen, te vervaardigen door de Antwerpse beeldhouwer F. de Vriendt.
Pastoor Rovers zal zelf daartoe kontakt opnemen met de Ant­werpse kunstenaar die in totaal 44 van de 50 grote beelden in de kerk voor zijn rekening zal nemen.
De inmiddels 63-jarige kunstenaar (geboren te Lier op 24 juli 1829) van wie bekend was dat hij vanwege zijn trillende vingers geen kop koffie of thee zonder morsen kon leegdrinken, nam voor ƒ 1.200, — de opdracht aan om het meer dan 4 meter hoge beeld Salvator Mundi te vervaardigen. Naar verluidt stond de bekende witte pater Père de Louw hiervoor model.
Reeds enkele weken later kan ir. Van Swaaij berichten dat hij bezoeken heeft gebracht aan gebouwen in Düsseldorf die in Weibern tufsteen zijn uitgevoerd en dat hij tot de conclusie is gekomen dat de steensoort het beste door de heer Grod uit Brohl geleverd kan worden. Tevens stelt hij voor de stenen reeds in de steengroeve te laten bewerken.
Het werk vordert gestaag.
Eind november 1891 is de heer Van Swaaij opnieuw aanwezig bij de vergadering van het kerkbestuur. Hij krijgt het mandaat om de dakbedekking uit asfalt i.p.v. uit lood te doen aanbrengen en het mandaat om 25.000 Waalstenen en 100.000 Belgische of Boom­sche stenen aan te schaffen.
Tevens wordt voor Oudenbosschenaren de inschrijving opengesteld van het leveren van kalk, cementeren van de gevel, het leveren van rivierzand, het vervoeren van de stenen van de haven naar de kerk, enz.
Voor het bestrijken of cementeren van het front van de kerk melden zich twee gegadigden:
Joh. Jongmans voor f 1.160,– en
C. Nelemans voor ƒ 1.350,–.
Het werk wordt gegund aan Joh. Jongmans met de kanttekening het nog goedkoper uitgevoerd te krijgen, vanwege het feit dat in afwijking van de tekening de grote en brede lijst in tufsteen uitgevoerd wordt.
De levering van 30.000 waalstenen wordt ad ƒ 14,25 per duizend stenen gegund aan de heer Burgemeester; de levering van 100.000 Belgische of Boomsche stenen wordt ad f 5,– per duizend gegund aan de heer Piet van Blerck.
“Het ophijschen en op hunne plaats stellen van alle tufsteen en ijzeren balk, vond bij het bestuur goedkeuring aan Servaes Broos te Rosendaal te gunnen voor eene som van tweeduizend vijftig gulden ( f 2.050,–) volgens eene te sluiten en van beide zijden te tekenen contract.”
Aan ir. Van Swaaij werd gevraagd om te trachten te bereiken dat binnen dit contract ook het ophijsen van het Salvator Mundi-beeld werd begrepen. Aldus gebeurde.
Voor het leveren van cement legde ir. Van Swaaij aan het kerk­bestuur 3 offertes voor te weten van:
- Wed. Jacobus Key voor                     ƒ 230,– de 10.000 kilo;
- Adriaan Vervaart en zoon voor            ƒ 252,– de 10.000 kilo;
- Josephus Key voor                            ƒ 257,50 de 10.000 kilo.
Voor Luyksche- of kluit-kalk:
- Wed. Jacobus Key voor f 70,– de 10.000 kilo;
- Adriaan Vervaart en zoon f 73,– de 10.000 kilo;
- Josephus Key f 73,35 de 10.000 kilo.
Beide leveringen werden gegund aan de Wed. Jacobus Key.
Eind januari worden de diverse contracten getekend. Op 25 januari 1892 dat van het kerkbestuur met aannemer Petrus Ver­schuren voor het verwerken van de benodigde metselsteen voor  een bedrag van f 2,50 per 1000 verwerkte stenen. In dit contract is o.a. de bepaling opgenomen dat een boete van f 10,– per keer opgelegd kan worden als Verschuren de bevelen der directie (= ir. Van Swaaij) overtreedt. Tevens hield Van Swaaij zich het recht voor om onbekwame, onbescheiden of onwillige werklieden onmiddellijk van het werk te mogen verwijderen.
Op dezelfde datum overigens wordt tussen Petrus Verschuren en Leonardus Simons een overeenkomst gesloten waarin deze laatste als meestermetselaar in dienst treedt voor een uurloon van f 0,14.
Op 28 januari wordt door het kerkbestuur het contract afgesloten met de heer Johannes Jongmans inzake het “cementeren der facade van de R.C. Kerk aldaar” voor een bedrag van f 1.160,–.
In deze overeenkomst is de bepaling opgenomen dat het werk uiterlijk  15 oktober 1892 gereed is.
Tevens wordt op 28 januari het contract getekend met de heer Adrianus Konings waarin deze laatste zich verplicht om binnen 8 dagen na aankomst in de haven de stenen te vervoeren naar de bouwplaats. Dit voor een bedrag van 40 cent per 1000 Waalse stenen en 25 cent per 1000 Boomsche stenen.
Andere offertes waren:
- Wed. M.J. van den Bosch resp. 40 en 27½ cent per 1000 stenen;
- C. van den Lindeloof resp. 42 en 33 cent per 1000 stenen;
- Bernard Korsmit voor beide steensoorten 37 cent per 1000 stenen.
Het contract met Servaes Broos voor het ophijsen en op de juiste plaats stellen van alle tuf- en zandsteenblokken, ijzeren balken en Salvator Mundi-beeld is niet gedateerd.
Verwacht mag worden dat de ondertekening ervan in dezelfde periode heeft plaatsgevonden. Dan, op 16 februari 1892 doet zich een probleem voor.
Vond Pastoor Rovers in zijn “Kerkelijke Geschiedenis van Oudenbosch”  de slechts tot ruim de helft der hoogte opgetrokken gevel een “onooglijk” gezicht, thans vond ir. Van Swaaij door een onverwacht probleem de harmonie van het bouwwerk verstoord­. Tijdens de bouw bleek namelijk dat het dak der kerk in evenredigheid tot het front 3 meter te laag was en dat dit over een lengte van 3 meter opgehaald diende te worden. Gelukkig bleken de kosten ervan mee te vallen en kon het probleem worden opge­lost.
Tot op heden is vanuit de koepel kijkend in de richting van het front van de kerk zichtbaar dat het dak is verhoogd.
Mochten kalk en cement door Oudenbossche ondernemers worden geleverd, ook t.a.v. het lood- en zinkwerk was dit het geval. Van Swaaij werd verzocht het werk evenredig over de aannemers A. Marée, Wed. G. Bogaerts, Dirkx en Van Engelen te verdelen.
De werkzaamheden verlopen voorspoedig. Zo voorspoedig dat het kerkbestuur op dinsdag 26 april 1892 in beginsel besluit “het oud uurwerk over te brengen of zoo nodig met een nieuw te vervan­gen.”
Dit laatste behoeft enige toelichting.
Toen op 14 september 1880 de nieuwe kerk door Mgr. H. van Beek, bisschop van Breda, geconsacreerd werd, geraakte de oude kerk in onbruik. In 1881 werd deze verkocht en in 1881 en 1882 afgebroken. In 1883 worden voor f 396,27½ de fundamenten uit de grond gehaald en wordt de begraafplaats geëgaliseerd.
Zo niet de toren. Deze is tot 1893 blijven staan en uurwerk en beide klokken bevonden zich nog in deze toren.
De grote vraag was of het oude uurwerk en beide klokken kwali­tatief van voldoende gehalte waren om overgebracht te worden. Ging immers niet het gerucht dat de grote klok defect was?
Samen met de heer B. Wassen heeft ir. Van Swaaij onderzocht of de grote klok inderdaad defect was. Dit blijkt (in eerste instantie) niet het geval en Van Swaaij biedt aan uurwerk en klokken over te brengen, hetgeen door het kerkbestuur met waardering wordt begroet.
Helaas blijkt later – als de grote klok naar beneden is gehaald en beter onderzocht kan worden – dat de grote klok inderdaad defect is. Gelukkig kent Pastoor Rovers een reparateur die in staat is de klok te herstellen zonder dat de klok opnieuw gegoten hoeft te worden.
Met het overbrengen van uurwerk en klokken in juli 1892 is feitelijk de facade van de kerk voltooid. Het betekent overigens niet dat de kerk geheel voltooid was. Zo ontvouwt Pastoor Rovers in het voorjaar van 1893 het plan om in de loop van dat jaar een hek te plaatsen en ringmuren te bouwen en wordt in het voorjaar van 1894 een gedeelte aan de westzijde der kerk vanaf de facade tot aan de kapel bepleisterd. Ook worden later (in 1934) beelden op de voorgevel geplaatst.
Dinsdag 26 april is een memorabele dag.
Pastoor Rovers en het kerkbestuur, dan tevens bestaande uit de heren:
- Petrus  Antonius van der Bom, secretaris;
- Johannes Cornelius Dekkers, penningmeester;
- Henrie Gouverneur en
- Marinus Nelemans
laten het volgende optekenen in de notulen van de vergadering:
“De zeereerwaarde Heer Pastoor en het kerkbestuur achten het voor het nageslacht wenschelijk aanteekening te houden dat bij overbrenging van het uurwerk en de beide klokken in de maand juli van het jaar 1892 van den ouden toren naar de nieuwe kerk gebleken is, dat de groote klok geheel defect en voor gebruik niet geschikt was, dat genoemde groote klok door den Heer C.L. Teirlinck te Segelsem in België geheel naar genoegen van het kerkbstuur is gerepareerd en in orde gebracht voor de som van 358 francs 40 centimen, welke som geheel door de Zeereerwaarde Pastoor betaald is, buiten bezwaar van de Kerkekas en dat de groote klok weder op 25 december eerste Kerstdag van hetzelfde jaar 1892 op de nieuwe kerk in gebruik gesteld is en verder dat de oude toren in de maand Februari 1893 publiek is verkocht gewor­den voor  de som van vierhonderd vijf en zestig gulden onder goedkeuring en toestemming van ZDHW Monseigneur P. Leyten in het begin van de maand Mei van hetzelfde jaar 1893 was de toren geheel afgebroken”.
Met deze plechtige constatering sluiten we dit hoofdstuk af. De droom van Pastoor Willem Hellemons was – wat althans de buitenkant betreft – gerealiseerd.
Hulde aan het kerkbestuur en met name aan Pastoor Rovers.