Pastoor Willem Hellemons, stichter van de Basiliek

Willem Hellemons werd geboren te Roosendaal, niet ver van Oudenbosch, op 17 april 1810. Al jong gaf hij het verlangen te kennen om priester te worden. De jonge Hellemons besloot toe te treden tot de orde van de Cistercienzers. Deze orde bezat tot 1797 een abdij te Hemiksem aan de Schelde, even ten zuiden van Antwerpen. Bij de komst van de Franse troepen werd het klooster in beslag genomen. De monniken verspreidden zich her en der, onder meer in de parochies, die zij in Nederland bedienden, nl. Hoeven, Oud Gastel, Oudenbosch en Wouw. De pogingen in de jaren omstreeks 1830 om zich weer te vestigen in Hemiksem bleven zonder resultaat. Enige jaren later, in oktober 1833, konden enige Cistercienzers een leegstaand klooster te Bornem betrekken. Deze situatie was de reden dat Hellemons in 1829 naar Rome vertrok om zijn priesterstudie voort te zetten. Hij verbleef aldaar in het klooster van de Cistercienzers, het H. Kruis in Jeruzalem, in de nabijheid van de Basiliek van St. Jan van Lateranen. Spoedig ontmoette hij in Rome kardinaal Cappelari, prefect der Congregatie de Pro¬paganda Fide, die op 2 februari 1831 tot Paus werd gekozen. Zijn naam was Gre¬gorius XVI (1831-1846). Tussen de Paus en Hellemons ontstond een blijvende vriendschappelijke relatie. Op 13 februari 1831 legde hij zijn plechtige geloften af. Na voltooiing van zijn studie in de wijsbegeerte en godgeleerdheid ontving hij in de Basiliek St. Jan van Lateranen op 23 maart 1833 de priesterwijding. Het verblijf in Rome is voor het verdere leven van Hellemons van beslissende betekenis geweest. Bij de latere bouw van zijn kerk bleek dit overduidelijk. Kunstzinnig als hij was, heeft hij intens genoten van Rome met zijn prachtige bouwwerken en kerken. Zijn Romeinse jaren zijn niet zonder invloed gebleven op zijn houding jegens het pausschap.

Zijn liefde voor de Paus uitte zich wel heel markant in de jaren 1864-1870 toen, mede door zijn inzet, 3.000 Nederlandse Zouaven via Oudenbosch naar Rome vertrokken om te strijden voor de instandhouding van de kerkelijke staat. Na zijn terugkeer uit Rome werd hij al spoedig door zijn overste van de St. Bernardusabdij te Bornem op 3 oktober 1834 aangewezen als assistent in de parochie te Oudenbosch. Hij trof daar allerlei toestanden aan, die voortvloeiden uit de aanwezigheid van veel militairen. Op 9 december 1836 werd de assistent Hellemons eerste kapelaan, om vervolgens reeds na vijf jaren, n. I. op 5 maart 1842, te worden benoemd tot pastoor van de Oudenbossche parochie. Pastoor Hellemons stierf op 12 december 1884. Zijn stoffelijk overschot werd aan de aarde toevertrouwd op de grafheuvel van het kerkhof aan de St. Bernaertsstraat, de plaats waar eens de oude Agathakerk stond.